7 December Divisie Indië-veteranen

Wij werden geroepen Nederlands-Indië 1946-1950

Evert - Herman van Ginkel

Tijdens een gesprek met Evert van Ginkel kwam de diensttijd ter sprake van zijn vader Herman in Indië. Graag wilde Evert een stukje schrijven over zijn vader Herman van Ginkel, OVW-er bij het Veluwebataljon "De Haantjes".


Evert bedankt voor de informatie, foto`s, documenten en medewerking aan de website.

 

herman van ginkel 01 herman van ginkel 02 herman van ginkel 03

 

Op 28 oktober 2003 overleed mijn vader “Sobat” Herman van Ginkel. Toen ik een woord ter herinnering schreef, voor op zijn begrafenis, kon en wilde ik niet om Indië heen. Indië, dat liep als een rode draad door zijn leven, maar ook van zijn gezin. En later ook bij mijn eigen gezin.

 

Via het ministerie van Defensie kreeg ik een mooi overzicht van hoe die periode verlopen is qua tijd en verblijf. Daaruit bleek dat hij direct na de oorlog op 17 juli 1945, vrijwillig in dienst ging om in Indië een nieuwe oorlog in te gaan. Dat is voor mij nauwelijks te begrijpen. Zelf moest ik in dienst in 1974 en dacht er serieus over na, om ergens vervangende dienstplicht te doen. Voor hem was dat een enorme teleurstelling, en dat liet hij merken ook. Zelf ging hij op 17 november 1945 aan land in Malakka. Als jongeman van 19 jaar en 4 maanden. Wat wisten hij en zijn maten er vanaf, dacht ik wel eens.

 

Als kleine jongen mocht ik wel eens in zijn “Indië doosje” kijken. Samen keken we naar spulletjes en foto’s. Een stuk bamboe, een kleedje, houtsnijwerk, insignes en een paar kogels. Foto’s kijken van jonge mannen in een kampong, onder palmbomen en in sawa’s. Als we in het fotoalbum bij de foto’s kwamen, waar de talloze begrafenissen en erevelden opstonden ging het boek dicht met een: “Nu is het wel genoeg geweest”.

 

Eind jaren 70 ging hij, als ik het mij goed herinner, voor het eerst naar reünies van de Haantjes in Ermelo. Naar zijn onderdeel, zijn maten. De Haantjes dat was voor hem - voor zover ik kon bezien - de plek die voor hem “Indië” was. Mannen die destijds ook in Indië geweest waren, maar dan verplicht, of bij een ander onderdeel dienden, die telden toch niet echt mee. De enige plek waar hij zich helemaal begrepen voelde, voor wat betreft de tijd in Indië, dat was toch daar, bij de Haantjes. Mijn moeder verzuchtte samen met enkele andere vrouwen wel eens: “Die mannen onder elkaar”! En dat zei eigenlijk alles.

 

Ook herinner ik mij de boosheid van hem, als er historici schreven over de acties van destijds, of over Westerling bijvoorbeeld. De gelegenheid die Poncke Princen kreeg om naar Nederland te komen, dat voelde hij als hoogverraad en daar stond hij zeker niet alleen in. Het was niet gemakkelijk om te praten over die tijd met mijn vader. Al heel snel ontstond het gevoel bij hem dat hij aangevallen werd over zijn Indië verleden. Ook de pogingen van diverse bewindslieden om deze vergeten groep te eren – vele jaren na dato - kregen niet de goedkeuring die ze misschien wel verdienden.

 

Naar mate zijn leeftijd vorderde kregen de emoties over zijn herinneringen verder de overhand en het was nauwelijks mogelijk om er rustig over te praten. Hij wist dat zelf ook wel en deed dat af met een “Wat weten jullie er nou van”!  Het werd mij onderhand duidelijk dat deze mannen veel onverwerkt leed met zich meetorsten. Heel af en toe sijpelden er via mijn moeder wel eens verhalen door van de vrouwen van de “maten”. En daar kon ik wel uit opmaken dat er meer van deze mannen moeite hadden met hun emoties en herinneringen.

 

Wat mij ook nog goed bijstaat was zijn onwankelbaar vertrouwen in het koningshuis en speciaal prins Bernhard. De brief ter gelegenheid van de rellen bij de kroning van Beatrix getuigt daarvan. Of er een direct verband zat met de Indië tijd weet ik niet zeker, maar iedereen moest daar afblijven. Alle geruchten en verhalen die de ronde deden over prins Bernhard en zijn escapades werden terzijde geschoven als zijnde laster en achterklap. We hebben wel eens gedacht: “Maar goed dat hij alles niet heeft geweten wat wij nu weten".

 

Intussen worden nog steeds jonge mannen en vrouwen uitgezonden naar allerlei brandhaarden in de hele wereld. Ik weet het, de condities zijn nauwelijks te vergelijken met zoals die toen waren in de periode van 1945 tot 1950. Maar vermoedelijk blijft een ding onveranderd, en dat is de verwerking van alle gruwelen die je daar als jongmens meemaakt. Zowel bij je maten als bij de lokale bevolking. Van harte hoop ik dat deze mensen wel de opvang krijgen die ze vaak nodig zullen hebben. En die er bij de mannen van de politionele acties, denk ik, vaak bij in geschoten is.

 

Maart 2008     Foto's: Herman van Ginkel     Tekst: Evert van Ginkel

 

herman van ginkel 04

 

herman_van_ginkel_05